Home » Opinie

Eerst het eten, dan de moraal

Gamesbouwers zouden zich vaker mogen beroepen op de vrijheid van meningsuiting. Waren ze maar zo volwassen.

 Arjan Terpstra

Ironisch allemaal weer: Kali, de hindoe-godin die staat voor ‘tijd’ en ‘verandering’, is onderwerp van een ouderwetse Amerikaanse controverse. Hindoes, verenigd in de Universal Society of Hinduism, willen dat de organisatoren van gamebeurs QuakeCon het vechtspel Smite van de vloer weren omdat hindoe-godin Kali daarin is opgenomen. En dat is tegen het zere been van deze club, die van mening is dat godinnen als Kali enkel in religieuze contekst mogen worden afgebeeld – in een tempel of een huisaltaar – en dat het zeer onkies is zo’n heilig figuur als speelbaar personage in een game op te nemen.

VM01 Het verzet van de USH tegen Smite is niet voor het eerst – de Amerikaanse IGN.com schreef er hier al over, en hier. Er is al uitgepuzzeld dat USH maar een onbetekenend kluppie is, en dat de mening van deze mensen niet de mening van alle hindoes is. Ook werd Hi-Rez Studios, de maker van Smite, al uitgebreid aan de tand gevoeld over de gevoeligheden rond de game. Kali is speelbaar als een soort Kratos in God of War, maar de studio is niet van zins de game te veranderen: Kali staat bekend als oorlogszuchtige god, en wordt binnen het hindoeisme ook zo afgebeeld. Wel is het bedrijf op verschillende momenten met Amerikaanse hindoes discussie geweest over de game. ‘Ik denk dat dat goed is’, verklaarde Todd Harris van Hi-Rez. ‘Er komt een gesprek op gang over tolerantie en geloof.’

Het citaat staat er een beetje in een bijzinnetje, maar is interessant in het licht van eerdere botsingen tussen games en mensen met een mening. De kritiek kan van religieuze aard zijn (Asura’s Wrath kreeg ook al hindoes achter zich aan) maar nog vaker is de kritiek niet-religieus: de shooter Six Days in Fallujah (Atomic Games/Konami) kwam simpelweg niet uit omdat teveel Amerikaanse en Engelse soldaten klaagden dat een shooter over ‘Irak’ niet kon terwijl ‘Irak’ nog bezig was.

Opvallend is hoe gamesbouwers zich in dit soort zaken tegen de kritiek verdedigen. In bovenstaande gevallen had de maker zich gemakkelijk kunnen beroepen op de vrijheid van meningsuiting, maar dat is niet gebeurd. Net als bij de controverse rond de speelbaarheid van Taliban-strijders in Medal of Honor: Tier One, een paar jaar terug. Of rondom de recente ophef over de ‘verkrachtingsscene’ die al dan niet in de nieuwe Tomb Raider zou zitten. In plaats van een statement uit te geven in de trant van ‘of Lara Croft verkracht wordt of niet, maken we zelf wel uit’ kwam er een slap, staart-tussen-de-benen verhaal naar buiten waar de politieke correctheid vanaf droop.

Die reflex is industrie-breed aanwezig. Dreigt een game controversieel te worden, dan wordt niet de kaart van vrijheid van expressie gespeeld, maar volgen excuses die door de afdeling legal zijn ingefluisterd en die bedoeld zijn om te sussen. Een beetje controverse, okee, maar als de ophef ertoe kan leiden dat je minder spellen gaat verkopen volgt enkel damage control; vrijwel nooit stapt iemand op de barricaden.

En dat terwijl de gamesindustrie een jaar geleden door de allerhoogste Amerikaanse rechtbank een reusachtige troefkaart in handen kreeg gespeeld. De Hoge Raad oordeelde toen in de zaak Brown vs. Entertainment Merchants Association dat videogames onder de bescherming van ‘het Eerste amendement van de grondwet vallen’. Dat amendement is voor Amerikanen heilig: het regelt de vrije meningsuiting, persvrijheid en vrijheid van religie. En daar vallen vanaf juli 2011 juridisch gezien dus ook videogames onder. ‘De basisprincipes van die vrijheid zijn niet ineens anders als er een nieuw medium opkomt’, sprak opperrechter Scalia in een toelichting, waarin hij games expliciet gelijk stelde aan media als boeken, films en toneelstukken.

VM03Met andere woorden: de gamebouwer heeft het constitutionele recht om onderwerpen te behandelen zoals hij of zij wil, in alle vrijheid en zonder zich iets aan te trekken van mensen of groepen die niet de mening van de maker delen. Daaruit zou je de conclusie kunnen trekken dat je niet hoeft te vrezen voor mensen die het niet met de inhoud van je game eens zijn: je staat immers in je constitutionele recht. Je zou dan ook kunnen bedenken dat de afdelingen legal van de grote bouwers en uitgevers dat ook weten, en inzien dat ze voor de rechter nooit nat kunnen gaan op dit onderwerp. En je zou ook kunnen bedenken dat het klagers afschrikt om stappen te ondernemen tegen gamebouwers.

In de praktijk gelden helaas andere regels, die nog het beste omschreven worden met het beroemde adagium van toneelschrijver Bertold Brecht: eerst het voer, dan de moraal. Klagers hoeven vaak niet eens naar de rechter te stappen, omdat gamebouwers bij de minste publicitaire tegenwind al jankend in de hoek gaan liggen, bang voor verlies van inkomsten. Een rare houding, als je er bij stilstaat. Je bent het grootste entertainment-medium na film, je hebt groen licht van de allerhoogste Amerikaanse rechter wat betreft inhoud van je games, maar daar maak je geen gebruik van als puntje bij paaltje komt. Games zijn in de publieke opinie lang als kinderspeelgoed weggezet. Dat beeld begint langzaam te veranderen, en dat moet ook. Maar zijn gamebouwers er misschien zelf nog niet aan serieus met hun vrijheden om te gaan?

Dit artikel verscheen op 5 augustus 2012 op IGN Benelux.