Home » Buitenland

Prijsschieten voor de achterban

In de Amerikaanse politiek regent het sinds de schietpartij in Newtown wetsvoorstellen rond het thema games en geweld. Een gevecht over de hoofden van de gameliefhebber.

Arjan Terpstra

Ze komen snel, laag en hard, de Amerikaanse wetsvoorstellen die van doen hebben met games en geweld. De meesten roepen op tot onderzoek naar de invloed van gewelddadige spellen op jongeren – onderzoek dat er al lang is, en waarin maar geen verband kan worden aangetoond tussen geweld in spellen en gewelddadig gedrag. En toch wordt dat verband telkens opnieuw gesuggereerd. En waarom?

Eerst de wetsvoorstellen. ‘Senate Bill 134’, eind januari ingediend door vijf senatoren, wil dat de National Academy of Sciences het effect van ‘gewelddadige games en andere media’ op het gedrag van kinderen onderzoekt. ‘Senate Bill 328’ werd er door een senator uit Connecticut meteen achteraan gegooid: een wetsvoorstel dat minderjarigen moet verbieden ‘gewelddadige schietgames in publieke ruimtes te spelen’ (dus op arcadekasten die in veel Amerikaanse malls staan).

WE01Connecticut, dat is sinds de schietpartij op een basisschool natuurlijk de staat waar het Newtown-drama zich afspeelde. Daar wordt sinds vorige week een voorstel behandeld voor een belastingheffing van tien procent op spellen voor 18 jaar en ouder waarin geweld een rol speelt. Het geld komt ten goede  aan het staatsdepartement dat over geestelijke gezondheidszorg en verslaving gaat, ‘om ouders te trainen in het herkennen van signalen rond videogame verslaving en a-sociaal gedrag.’

En afgelopen donderdag kwam in het Congres de ‘Congressional Gun Violence Task Force’ met het rapport dat door de voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, Nancy Pelosi, in december was aangevraagd. In hun op vuurwapenbezit gerichte document (‘A comprehensive Plan That Reduces Gun Violence and Respects the 2nd Amendment Rights of Law-Abiding Americans’, je leest het hier) worden ook de nodige opmerkingen over videospellen geformuleerd. Er moet een aanpak komen van ‘onze cultuur van geweldsverheerlijking’, onder meer door ‘wetenschappelijk onderzoek te steunen naar de relatie tussen populaire cultuur en vuurwapengeweld.’ Ouders – daar zijn ze weer – moeten informatie kunnen vinden om ‘goed geïnformeerde beslissingen te nemen over wat hun gezinnen zien, horen en spelen.

Opvallend aan de wetsvoorstellen is het hameren op onderzoek dat feitelijk de afgelopen jaren al uitvoerig gedaan is. Vertegenwoordigers uit de gaming industrie worden er aardig gefrustreerd van, de belangenorganisaties voorop. Wetenschappelijke feiten worden in elke ontwerptekst terzijde geschoven, soms zelfs met verwijzing naar die harde feiten. ‘Terwijl recent wetenschappelijk onderzoek geen causaal verband tussen entertainment en geweld aantoont, moet er meer onderzoek worden gedaan’, schrijft de Gun Violence Task Force bijvoorbeeld. De reden? ‘Veel Amerikanen zijn bezorgd dat televisieprogramma’s, films, video games en andere soorten media bij jongeren op jonge leeftijd al aan ongevoeligheid voor wapengeweld bijdragen.’

Omdat dit dus niet het geval is, moet er iets anders aan de hand zijn met het hameren op het onderzoeks-aambeeld. President Obama begon daarmee, op 16 januari, toen hij er ‘tien miljoen dollar’ beschikbaar stelde. Anderen volgen. De redenen daarvoor zijn divers, maar rieken naar politiek opportunisme in verschillende smaken. Obama en (een deel van) het Huis van Afgevaardigden liggen op ramkoers met het wapenlievende deel der natie, dat bang is voor aanpassing van de wetten op vuurwapenbezit. De verdedigingslinie die de wapenlobby heeft opgetrokken loopt via de National Rifle Association (NRA), die alle ballen op videogames gooide: dáár ligt de reden dat Amerikanen ontsporen! ‘Onderzoek’ in wetsvoorstellen voor wapencontrole opnemen helpt critici de mond te snoeren: we zijn er toch mee bezig? Wacht nou gewoon even op de uitkomsten

WE02Een ander soort opportunisme zien we bij mensen als een senator voor Tennesse, Lamar Alexander, die ‘onderzoek’ steunt omdat ‘video games een groter probleem zijn dan vuurwapens’, omdat video games ‘mensen beïnvloeden’ (‘games affect people’), en vuurwapens niet. Niet gek, zo’n houding, gezien het feit dat Alexander volgens de NRA een smetteloze staat van dienst heeft als het aankomt op stemgedrag. Of wat te denken van de Californische senator Leland Yee (die dus in Californië in de Senaat zit), die vind dat gamers zich buiten de geweldsdiscussie moeten houden ‘omdat ze er een belang bij hebben (dat de status quo gehandhaafd blijft)’. Hij moest zich verontschuldigen voor zijn uitspraken, die aandacht trokken omdat Yee in 2005 in Californië aan de basis stond van een wet om gewelddadige videogames te verbieden. Een poging die strandde voor de Hoge Raad, die in juni 2011 oordeelde dat het Californische verbod onrechtmatig was omdat schadelijke effecten van het spelen van games niet aangetoond konden worden.

Een gevalletje oud zeer dus, bij Yee, die het er duidelijk niet bij laat zitten. Amerika na Newtown is op een indringende manier met introspectie bezig, met een herbezinning van de waarden rond geweldskwesties. ‘Politici houden zich volledig doof voor pro-gaming argumenten’, klaagde de Entertainment Software Association recentelijk. Klopt, want die komen niemand in zijn politieke kraam van pas.

Dit artikel verscheen 10 februari 2013 bij De Nieuwe Pers.